Voor info zie
deze http://www.veiligebank.com/gifgasMelchers/ of beter
{{ met de linker
pijl links boven kunt U dan naar ons terug keren }}
http://www.stopwapenhandel.org/publicaties/boekenbrochures/Irakrapport.pdf
{{ Indien U pdf kunt openen op Uw
computer is dat beter omdat het copieeren van pdf naar word ons niet helemaal
goed gelukt is.}}
Dit is achtergrond informatie
Terug link naar www.veiligebank.nl
Nederland en de
chemische wapens van Irak
Campagne tegen
Wapenhandel, mei 2007
Mark Akkerman
Inhoud
Inleiding 3
Ontwikkeling en gebruik van chemische wapens
door Irak 5
Nederland en de chemische wapens van
Irak 9
Nederland sluit handelsovereenkomst 21
Leveranties van grondstoffen en
apparatuur aan Irak 29
Bijlage 1 – Verdrag chemische wapens 45
Eindnoten 49
Dit rapport over de Nederlandse
betrokkenheid bij het Iraakse chemische wapens
programma is een vervolg en uitwerking
van ons onderzoek voor het Radio1
radioprogramma Argos naar het
exportbeleid met betrekking tot chemicaliën naar
Irak in de jaren tachtig. Bovendien is
het een verdere uitwerking van dit onderzoek
in het kader van het project 'Monitoring
Nederlandse wapenhandel'. Wil je meer
weten over de Campagne tegen Wapenhandel
kijk dan op onze website:
www.stopwapenhandel.org
Colofon
Auteur: Mark Akkerman
Redactie: Frank Slijper, Martin
Broek en Tanja IJzer
Met dank aan: Oxfam Novib en VPRO's
Argos
Uitgave: mei 2007
Campagne tegen Wapenhandel
Anna Spenglerstraat 71
1054 NH Amsterdam
tel/fax: 020-6164684
giro: 3767096
e-mail: info@stopwapenhandel.org
Dit is achtergrond informatie
Terug link naar www.veiligebank.com
2
Inleiding
De ministeries van Economische Zaken en van
Buitenlandse Zaken hebben in
2006 op verzoek van de Campagne Tegen Wapenhandel en
VPRO radioprogramma
Argos documenten vrijgegeven over de export van
chemicaliën en
de handelsbetrekkingen met Irak in de jaren ‘80. De
documenten geven een
schokkend beeld over de uitgebreiding van de
vergunningplicht bij export van
chemicaliën die bruikbaar zijn voor de productie van
chemische wapens.
Beide ministeries waren het hevig oneens over de
omvang van de
vergunningsplicht, zo laat een reconstructie aan de
hand van tot voor kort
geheime documenten zien. Kortweg komt het conflict
neer op het volgende:
Economische Zaken wil geen eenzijdige Nederlandse
maatregelen nemen en
bovendien de lijst van stoffen waarvoor een vergunning
nodig is, zo beperkt
mogelijk houden. Buitenlandse Zaken daarentegen dringt
aan op snelle eigen
maatregelen en op een uitgebreidere lijst stoffen.
Beide ministeries zitten elkaar
maandenlang in de haren en schrijven memoranda, nota’s
en brieven om de
controle te verstevigen of te frustreren.
De vrijgegeven WOB (Wet Openbaarheid Bestuur)-stukken
geven inzicht in de
schaamteloze strijd rond de belangen van de
Nederlandse industrie en controle
op het internationale handelen ervan. Sinds het begin
van de jaren tachtig is
bekend dat Irak chemische wapens bezit en er niet voor
terugschrikt om ze in
te zetten. Op Nederlands initiatief neemt de
Veiligheidsraad begin 1984 een
resolutie aan die het gebruik van chemische wapens
veroordeelt, maar de
handel gaat gewoon door. Nederland komt pas met
handelsmaatregelen in
actie, nadat het in april van dat jaar door de
Amerikanen op grote Nederlandse
orders aan Irak wordt gewezen. Het ministerie van
Economische Zaken doet er
vervolgens alles aan om de lijst van stoffen waarvoor
een vergunningsplicht
gaat gelden zo beperkt mogelijk te houden, en het is
daar redelijk succesvol in.
Het blijft daardoor mogelijk stoffen die niet op de
lijst staan, maar die wel
geschikt zijn voor het produceren van chemische
wapens, naar Irak te
verschepen. Ondanks de oorlog wordt er alles aan
gedaan zo goed mogelijke
economische betrekkingen met het regime van Saddam
Hoessein te
onderhouden. Onder het motto van strikte neutraliteit
wordt daarbij maar
liever een oogje dichtgeknepen voor de gruwelijkheden
die door de strijdende
partijen in het conflict worden begaan. Nederlandse
economische belangen
prevaleren bij de beleidsbepaling. Buitenlandse Zaken
ontbeert voldoende
overwicht op Economische Zaken. Het is een zorgwekkend
beeld van de
machtsverhoudingen tussen beide ministeries en het is
een van de meest
3
cynische voorbeelden van de dubbele moraal die de
Nederlandse regering die
jaren heeft uitgedragen.
Nederland heeft jaren later het internationale Verdrag
Chemische Wapens, dat
de verspreiding van chemische wapens, en hun productie
verbiedt,
ondertekend. Toch exporteert Nederland nog steeds
chemicaliën die gebruikt
kunnen worden voor het maken van gifgas naar landen
die geen deel uitmaken
van het verdrag. Bovendien is de controle op het
uiteindelijke gebruik vrijwel
afwezig.
De Nederlandse bedrijven en handelaren Melchemie, KBS
en Van Anraat
hebben bij elkaar enorme hoeveelheden grondstoffen
voor gifgassen aan Irak
geleverd. Volgens schattingen heeft Nederland zo’n 45
procent van de
grondstoffen voor Irak’s chemische wapenprogramma
geleverd. Van deze
wapens zijn duizenden mensen, militairen en burgers,
het slachtoffer
geworden. Dit is met recht een inktzwarte bladzijde in
de geschiedenis van de
Nederlandse handel. De leveringen waren volgens de
geldende Nederlandse
exportwetgeving deels legaal en deels illegaal. Door
het laat instellen van
exportbeperkingen en de beperkte reikwijdte hiervan,
liet de Nederlandse
regering bedrijven lang de mogelijkheid om
grondstoffen voor gifgassen naar
Irak uit te voeren. De dubieuze rol die Nederland
gespeeld heeft ten aanzien
van het chemische wapenprogramma van Irak staat in
schril contrast met de
internationale voortrekkersrol op het gebied van
beperkingen op wapenhandel
waarop Nederland zich vaak beroept.
Ook nu nog zet Nederland het handelsbelang vaak voorop
en neemt met het
verlenen van vergunningen voor dubieuze exporten het
proliferatiegevaar voor
lief. Van een land dat gastheer is van de Organisation
for the Prohibition of
Chemical Weapons (OPCW), de verdragsorganisatie van
het Chemische
Wapens Verdrag, zou beter verwacht mogen worden.
Dit is achtergrond informatie
Terug link naar www.veiligebank.net
4
Ontwikkeling en gebruik
van chemische wapens door Irak
In 1974 start Irak een programma voor de ontwikkeling
en productie van
chemische wapens, maar onderzoek is mogelijk al enkele
jaren eerder
begonnen.1 Begin jaren tachtig is het land in staat op beperkte schaal zenuw- en
blaargassen te produceren.2 Dit gebeurt vooral in het Muthanna State
Establishment, destijds een van de grootste
productiefaciliteiten voor
chemische wapens ter wereld.3 De meeste apparatuur en grondstoffen
voor dit
programma worden geleverd door Westerse bedrijven.4
In september 1980 begint een langdurige oorlog tussen
Irak en Iran. De eerste
berichten over gebruik van chemische strijdmiddelen
door Irak dateren van
kort daarna5; op 16 november 1980 beschuldigt Iran Irak voor de eerste keer
van de inzet van chemische wapens.6 Vanaf juli 1982 worden de berichten over
het gebruik van chemische wapens door Irak frequenter.7
Op 3 november 1983 legt Iran voor het eerst een
beschuldiging tegen Irak
in verband met inzet van chemische wapens voor aan de
Veiligheidsraad van
de Verenigde Naties. De VN stelt hierop een onderzoek
in, dat het gebruik van
chemische wapens bevestigt.8 Op initiatief van Nederland – tijdelijk
lid van de
Veiligheidsraad – geeft de Veiligheidsraad een
verklaring af, waarin het
gebruik van chemische wapens veroordeeld wordt, zonder
Irak overigens bij
naam te noemen.9
Iran zelf zou, volgens met name Irak en de Verenigde
Staten, in een later
stadium van de oorlog ook op beperkte schaal chemische
wapens ingezet
hebben, waarvan een deel op Irak veroverde munitie zou
zijn.10 Bewijzen
hiervoor ontbreken echter, en deskundigen betwijfelen
dan ook of het waar is.
De reden daarvoor is dat de bron van die
beschuldigingen voor een belangrijk
deel vermoedens van het Amerikaanse Defense
Intelligence Agency zijn11.
Nederland in de Veiligheidsraad
Het Nederlandse initiatief in de Veiligheidsraad wordt
niet door iedereen
gewaardeerd. Uiteraard is Irak zelf niet gelukkig, en
het kondigt aan dat dit
“zeker zijn weerslag [zal] hebben op de relatie tussen
Irak en Nederland”.12
Maar ook Economische Zaken is ontstemd. Minister van
Buitenlandse Zaken
Hans van den Broek (CDA) had immers beloofd “zoveel
mogelijk te zullen
trachten over de Nederlandse positiebepaling t.a.v.
concrete situaties
voorafgaand overleg te voeren”. Dat is niet gebeurd en
volgens Economische
Zaken had er op zijn minst ‘enig vooroverleg’ moeten
plaatsvinden, waarin “de
mogelijke economische consequenties van voorgenomen
beleid door
5
Economische Zaken belicht [hadden] kunnen worden”. Met
andere woorden:
handelsbelangen hadden moeten meewegen. En als er dan
toch opgetreden
moest worden, dan liever in stilte: “de beoogde actie
door de Veiligheidsraad
[had] in dit geval ook op een minder opvallende wijze
door Nederland
bevorderd kunnen worden”.
Wanneer Inzet
chemische wapens door Irak
Januari 1981 Dodelijk ‘Type V’
zenuwgas in Ahwaz-Dezful regio, ongeveer 100 doden
Juli 1982 Riot control agents (cs) tegen Iraanse
troepen
December 1982 Start van gebruik
mosterdgas tegen Iraanse troepen
1983 Testen van chemische wapens op
Koerdische gevangenen
Juli 1983 Mosterdgas tegen Iraanse troepen bij Haj
Umran
November 1983 Mosterdgas tegen
oprukkende Iraanse troepen bij Penjwin
1984 Start gebruik zenuwgas tabun op relatief
kleine schaal
Februari 1984 Aanval op Iran
met mosterdgas en mogelijk met tabun
Februari/maart
1984
Mosterdgas tegen Iraanse troepen in de
regio van Majnoon Island
Maart 1985 Mosterdgas en tabun tegen Iraanse
troepen in de regio van Hawizah Marsh
Februari 1986 Mosterdgas en
tabun tegen Iraanse troepen op het schiereiland al-Faw; er worden 8000 tot
10.000 doden gerapporteerd
December 1986 Sulfur mustard
tegen Iraniërs in de regio van Umm ar Rasas
1987 20 dorpjes in de Balasan Valley bij
Arbil worden door vliegtuigen van de Iraakse
luchtmacht bestookt met mosterdgas,
tabun en andere zenuwgassen; dit is de eerste
Iraakse inzet van chemische wapens tegen
de eigen burgerbevolking
29 juni 1987 Iran meldt dat
Iraakse vliegtuigen mosterdgas hebben gegooid op tien bewoonde
gebieden in Sardasht, een overwegend
Koerdische regio in het noordwesten van Iran; er
zouden tien doden en 650 gewonden, allen
burgers, gevallen zijn
16-18 maart 1988 Diverse chemische
wapens (mosterdgas, sarin, tabun, VX en mogelijk cyanide) tegen
Koerden in de Noord-Iraakse stad
Halabja. Er vallen naar schatting 5000 dodelijke
slachtoffers
April 1988 Honderd ton sarin tegen Iraanse troepen
op het Al-Faw schiereiland. In de
daaropvolgende maanden zet dit gebruik
van sarin en andere zenuwgassen zich voort
17-18 april 1988 Inzet van VX
tegen Iraanse troepen op het Al-Faw schiereiland
3 mei 1988 Mogelijk bombardement met chemische
wapens op het Koerdische dorp Gop Tapa
Juni 1988 Ondermeer mosterdgas, cyianide en
zenuwgassen op Majnoon Island
25 augustus 1988 Chemische wapens
tegen Koerdische guerilla's en burgers in steden en dorpen bij de
grens met Turkije
Tabel 1 – Inzet
chemische wapens door Irak 1981 – 198813
Dit is achtergrond informatie
Terug link naar www.veiligebank.nl
Irak vernietigt voorraden
De oorlog tussen Iran en Irak eindigt in augustus 1988
met een wapenstilstand.
In de aanloop naar de Tweede Golfoorlog (1990-1991)
voert Irak nog wel enkele
testen met chemische wapens uit, maar sinds die tijd
zijn er geen meldingen
meer van de inzet van chemische strijdmiddelen door
Irak.14 Tijdens de Tweede
Golfoorlog valt Irak Koeweit binnen, waar het een paar
maanden later uit
verdreven wordt door een internationale coalitie onder
leiding van de VS.
6
Na deze oorlog legt de Veiligheidsraad Irak een aantal
verplichtingen op. Een
onderdeel hiervan is volledige openheid over het
chemische wapenprogramma
en vernietiging van de bestaande voorraden – resolutie
687 van 3 april 199115.
De resolutie regelt ook inspectie van de plekken waar
de genoemde goederen
of activiteiten aanwezig zijn, en verbiedt Irak nieuwe
chemische en biologische
wapens te ontwikkelen. Aan alle staten wordt het
opnieuw verboden enig
materiaal of technologie hiervoor te leveren.16 In de Veiligheidsraad stemden 12
van de 15 leden voor deze resolutie; Cuba stemde tegen
en Ecuador en Jemen
onthielden zich van stemming.
Op 18 april 1991 dient Irak de eerste verklaring over
het chemische
wapenprogramma in bij de Verenigde Naties. Op 16 mei
wordt deze
aangevuld. Op 9 juni voert de speciaal daarvoor
opgerichte United Nations
Special Commission (UNSCOM) voor de eerste keer een
chemische
wapeninspectie uit in Irak. De Commissie vindt dat
Irak onvoldoende
meewerkt, en daarom eist de Veiligheidsraad vervolgens
dat Irak zich aan de
opgelegde verplichtingen houdt
(Veiligheidsraadresolutie 707, augustus 1991).
Op 15 oktober, in alweer een nieuwe resolutie, eist de
Veiligheidsraad dat Irak
onvoorwaardelijk toegang verleent aan inspecteurs en
ander door UNSCOM
aangesteld personeel.17 Irak geeft aan de verplichtingen uit de laatste resoluties
als onwettig te beschouwen en er dus niet aan te
willen voldoen.18
Op 19 maart 1992 vult Irak eerdere verklaringen over
het chemische
wapenprogramma aan met nieuw materiaal. Het meeste van
dit ‘nieuwe’
materiaal zou, tegen opgelegde verplichtingen in, in
de zomer van 1991 al
unilateraal vernietigd zijn, dat wil zeggen: zonder de
internationale inspecteurs
toegang te verlenen of te informeren. In juni 1992
dient Irak zijn eerste Full,
Final and Complete Disclosure van het chemische
wapenprogramma in bij de
Verenigde Naties; het rapport zal de volgende jaren
verscheidene malen in
steeds verder aangevulde versies opnieuw ingediend
worden. Een maand later
begint UNSCOM met de vernietiging van grote aantallen
chemische wapens en
van productiefaciliteiten in Irak. In juni 1994 is het
daarmee klaar, of althans
dat denkt het. Een latere opgave van Irak meldt echter
nog meer te vernietigen
materiaal, onder meer bedoeld voor de productie van
het zenuwgas VX.
Vernietiging daarvan is in oktober 1997 gecompleteerd,
en Irak claimt dat
daarmee zijn volledige voorraad chemische wapens is
vernietigd.
Het blijft onduidelijk of dit echt zo is. In februari
1998 concludeert een door
Irak uitgenodigd panel van internationale experts dat
het land mogelijk nog
een clandestiene voorraad chemische wapens achter de
hand houdt.19 En in juni
1999 doen er geruchten de ronde dat een deel van deze
geheime voorraad naar
Soedan gesmokkeld zou zijn en daar opgeslagen ligt.20 Volgens UNSCOMinspecteur
Scott Ritter is Irak in 1998 echter al voor 90-95% van
de eerder
Dit is achtergrond informatie
Terug link naar www.veiligebank.nl
7
aanwezige massavernietigingswapens verifieerbaar
ontwapend en bestond
datgene wat er misschien nog wel was uit in de
praktijk onbruikbare
onderdelen.21
Wanneer Irak de UNSCOM-inspecteurs (later UNMOVIC) de
toegang ontzegt,
beweren diverse bronnen, waaronder voormalig
UNSCOM-voorzitter Richard
Butler, dat Irak nog steeds chemische wapens heeft en
faciliteiten gereed houdt
om snel nieuwe te kunnen produceren.22 Irak ontkent alle aantijgingen fel.23 In
november 2002 begint de VN weer met inspecties.24 In maart 2003 verlaten de
inspecteurs Irak alweer, op advies van de Verenigde
Staten, wegens de
naderende inval.25 Tijdens de inspecties worden geen bewijzen van productie
van nieuwe chemische wapens gevonden. Wel worden
opnieuw oude
voorraden vernietigd.
Na het door president Bush afgekondigde einde van de
oorlog tegen Irak
in april 2003, gaat de door de Verenigde Staten
ingestelde Iraq Survey Group,
onder leiding van David Kay, op zoek naar
massavernietigingswapens.26 De
Groep vindt echter geen massavernietigingswapens, ook
niet de chemische
wapens die Irak volgens inlichtingendiensten na de
Tweede Golfoorlog weer
geproduceerd zou hebben.27 David Kay stapt, gedesillusioneerd in zijn
opdrachtgevers, op en zegt daarbij: “Ik denk niet dat
ze [(nieuwe)
massavernietigingswapens in Irak] bestaan hebben. Waar
iedereen over praatte
waren voorraden die na de laatste Golfoorlog
geproduceerd zijn en ik denk niet
dat er een grootschalig productieprogramma was in de
jaren negentig.”28 Er
wordt nog wel gesuggereerd dat Irak z'n chemische
wapens in Syrië heeft
opgeslagen, maar ook daarvoor ontbreekt bewijs.29
De Iraq Survey Group concludeert in zijn slotrapport
dat Irak
waarschijnlijk inderdaad in 1991 zijn chemische
wapenvoorraden heeft
vernietigd en dat er geen aanwijzingen zijn dat
productie ervan later hervat is.
Wel zou Irak de kennis om chemische wapens te kunnen
produceren op peil
hebben willen houden.30
Dit is achtergrond informatie
Terug link naar www.veiligebank.nl
8
Nederland en de chemische wapens van
Irak
Documenten die het ministerie van Economische Zaken en
van Buitenlandse
Zaken in 2006 op initiatief van de Campagne Tegen
Wapenhandel, in
samenwerking met radioprogramma Argos, hebben
vrijgegeven, geven een
schokkend beeld van de handelsbetrekkingen met Irak en
uitbreiding van de
vergunningplicht voor de uitvoer van chemicaliën die
gebruikt kunnen worden
voor het produceren van chemische wapens.31
De ministeries lagen in de loop van 1984 flink met
elkaar in de clinch over de
reikwijdte van de vergunningsplicht, zo laat een
reconstructie aan de hand van
tot voor kort geheime documenten zien. Kortweg komt
het conflict neer op het
volgende: Economische Zaken wilde geen eenzijdige
Nederlandse maatregelen
nemen en bovendien de lijst van chemicaliën waarvoor
een vergunningplicht
werd ingevoerd zo beperkt mogelijk houden.
Buitenlandse Zaken daarentegen
drong aan op snelle eigen maatregelen en op een
uitgebreidere lijst stoffen.
Beide ministeries zitten elkaar maandenlang in de
haren en schrijven
memoranda, nota’s en brieven om de controle te
verstevigen (BuZa) of te
frustreren (EZ).
Druk van de Verenigde Staten
De aandacht voor de instelling van een
vergunningplicht begint met twee
codeberichten, afkomstig van de Nederlandse ambassade
in Washington, in het
voorjaar van 1984. Op een ‘briefing’ meldt Deputy
Assistant Secretary of State
Plack dat de Verenigde Staten op de hoogte is van
orders voor chemicaliën
door Irak, die gebruikt zullen worden voor de
productie van chemische
wapens. Om dit te voorkomen stellen de VS
exportcontroles in, in eerste
instantie voor vijf grondstoffen. “Het is niet de
bedoeling een totaal verbod van
export van de betreffende grondstoffen aan Iran/Irak
in te stellen”, maar in de
nabije toekomst zouden er hoogstwaarschijnlijk geen
vergunningen afgegeven
worden32.
In de marge van deze briefing vraagt Plack de
Nederlandse ambassade om de
minister van Buitenlandse Zaken op de hoogte te
stellen van het volgende:
“We have information from European
commercial sources that Iraq is
seeking to urgently procure 500 tons of
thiodiglycol from a Dutch firm,
[naam bedrijf gewit]. It is also seeking
malononitril and ortho-chlorobenzaldenyde
from the same firm. We know that Iraq
uses thiodiglycol to
manufacture musterd gas. Malononitril
and orth-chloro-benzaldenyde are
used in the manufacture of non-lethal
riot control agents. [...] It is our hope
9
that your government will be able to act
to prevent the export from the
Netherlands of the thiodiglycol. We believe
your government may also
consider the export of the precursors of
the riot control agents to be a
matter of some sensitivity.”
Op basis hiervan onderneemt Buitenlandse Zaken direct
actie, zo blijkt uit een
memorandum van 2 april 1984.33 Het ministerie neemt contact op met drie
Nederlandse bedrijven die door Irak benaderd zouden
zijn voor de leverantie
van grondstoffen voor chemische wapens.34 Twee bedrijven zeggen toe de
bewuste stoffen niet meer te leveren, en het derde wil
proberen lopende orders
niet geheel uit te voeren. Omdat dit laatste bedrijf
veel handelscontacten met
Irak heeft, zou het graag een wettelijke maatregel
zien waarop het zich
tegenover Irak zou kunnen beroepen. Hiermee legt het
de
verantwoordelijkheid voor het niet nakomen van verplichtingen
dus bij de
overheid.
Buitenlandse Zaken gaat op deze wens in, en stelt voor
zo snel mogelijk
een beschikking af te kondigen die de uitvoer van een
aantal grondstoffen voor
chemische wapens aan een vergunning bindt, 21 in
totaal.35 In de toelichting
bij
de beschikking staat: “Voor [een aantal] stoffen [...]
zijn zeer grote orders
geplaatst bij [gewit]. De hoeveelheden zijn dermate
groot dat andere
toepassingen dan productie van chemische wapens
uitgesloten kunnen worden
geacht. Derhalve dienen in ieder geval deze 7 stoffen
op de lijst geplaatst te
worden.”
Voor het opnemen van deze stoffen zijn dus goede
redenen. Een aantal
andere stoffen zijn opgenomen omdat de Verenigde
Staten en het Groot-
Brittannië dat willen. Het gaat hierbij om zogenaamde
voorlopers, of
grondstoffen voor chemische wapens36. Daarnaast zijn er tien stoffen
waarover
in het Chemische Wapenoverleg in Genève al vergaande
overeenstemming
over de noodzaak van speciale controle bestaat. Van
die tien stoffen, zijn van
acht de civiele toepassingen beperkt. Volgens
Buitenlandse Zaken blijven er
dan vier stoffen over waarover men zou kunnen “twisten
of een
uitvoerbeperking geen al te draconische maatregel is.”37 Deze vier stoffen zijn:
kaliumcyanide, diethylamine, diisopropylamine en
natriumfluoride.
Dit is achtergrond informatie
Terug link naar www.veiligebank.nl
Handelsbelangen
Dan start de strijd tussen Economische en Buitenlandse
Zaken. In een nota van
3 april 1984 meldt de Directeur-generaal van
Buitenlandse Economische
Betrekkingen (DG-BEB) aan staatssecretaris van
Economische Zaken Frits
Bolkestein (VVD) dat “de Amerikaanse regering [...]
enige chemische
producten, waarvan het gebruik in Irak voor
vervaardiging van gifgas wordt
aangenomen, onder vergunning [heeft] gesteld en [...]
haar bondgenoten [heeft]
10
gevraagd ook maatregelen te nemen.”38 De nota meldt dat ook premier Ruud
Lubbers (CDA) voorstander is van ingrijpen.
De DG-BEB pleit ervoor niet zomaar de lijst van
Buitenlandse Zaken over te
nemen. Omdat er ook andere goederen dan gifgassen met
de bedoelde stoffen
gemaakt kunnen worden en er omgekeerd andere stoffen
bestaan die voor
gifgasproductie aangewend kunnen worden, spreekt hij
van een “derhalve vrij
willekeurig [lijstje].” Bovendien schept het
“rechtsongelijkheid de uitvoer van
de ene grondstof te verbieden en die van de andere
niet.”
Nog grotere problemen ziet de DG-BEB in zelfstandige
Nederlandse
maatregelen zonder afstemming in de EEG: “Een
uitvoerverbod van goederen
als de onderhavige valt onder de EEG-handelspolitiek,
ter welker zake de
Lidstaten geen zelfstandige bevoegdheid meer hebben.
Het precedent inzake
Zuid-Afrika is in deze het ernstigste probleem”, vindt
hij. Omdat de regering
de Tweede Kamer eerder voorgehouden had dat Nederland
niet eenzijdig een
olie-embargo en uitbreiding van het wapenembargo tegen
Zuid-Afrika kon
instellen, zou het ongeloofwaardig kunnen overkomen
als er wel eigen
maatregelen tegen Irak mogelijk zouden zijn. Dan zou
de Kamer alsnog
vraagtekens kunnen zetten bij de onmogelijkheid van
verdergaande embargo's
tegen Zuid-Afrika.
Ambtenaren van Buitenlandse Zaken zien dit niet als
een probleem, omdat ‘U
[minister Van den Broek] reeds bereidheid kenbaar
gemaakt [heeft] om te
onderzoeken of de werkingssfeer van het wapenembargo
in de Nederlandse
wetgeving kan worden uitgebreid. Dit is niet in
tegenspraak met mogelijk
eenzijdige maatregelen om productie en gebruik van
chemische wapens tegen
te gaan.”39 Buitenlandse Zaken is voor eenzijdig optreden, het ministerie van
Economische Zaken wil overleg in de EEG en Benelux.
Om Buitenlandse Zaken toch enigszins tegemoet te
komen, suggereert
Economische Zaken dan maar de bijlage van het
Uitvoerbesluit Strategische
Goederen, waarin regels gesteld zijn ten aanzien van
de uitvoer van militair te
gebruiken goederen, uit te breiden met de gewraakte
stoffen in plaats een
exportverbod waarbij Irak specifiek genoemd wordt. Dat
is de weg die
uiteindelijk gekozen wordt, maar niet tot grote
vreugde van iedereen.
Economische Zaken doet er alles aan om de invoering
van een eigen maatregel
te traineren en de inhoud ervan zo beperkt mogelijk te
houden. Staatssecretaris
Bolkestein bijvoorbeeld is van begin af aan uitermate
sceptisch. Op 4 april
schrijft hij met de hand op de nota van 3 april: “In
geval van gerechtvaardigde
twijfel moet niet worden opgetreden.” Volgens
Buitenlandse Zaken doet
11
Economische Zaken vooral moeilijk over “enkele stoffen
waarin [...]
waarschijnlijk een levendige handel [bestaat] en E.Z.
zou deze stoffen dus
liever niet onder controlemaatregelen brengen maar
juist voor deze stoffen zijn
in Nederland orders geplaatst zodat ze in ieder geval
op de lijst geplaatst
moeten worden.”40
Handgeschreven aantekening van
staatssecretaris Bolkestein op de nota van 3 april 1984
“Deze zaak moet met de grootste
nauwlettendheid worden gevolgd. Ingeval van gerechtvaardigde
twijfel moet niet worden opgetreden.”
Op 6 april krijgt de Minister van Economische Zaken,
Gijs van Aardenne
(VVD) een nota van de Directeur-Generaal Industrie
binnen het ministerie, met
daarin een overzicht van Iraakse orders in Nederland
voor chemicaliën die
gebruikt kunnen worden voor de productie van chemische
wapens. Het blijkt
te gaan om zeven stoffen waarvan er drie in Nederland
geproduceerd worden:
natriumcyanide, dimethylamine en isopropylalcohol.41
Vervolgens pleit Economische Zaken ervoor
isopropylalcohol van de lijst
af te voeren “gezien de enorme hoeveelheden die voor
civiele doeleinden
gebruikt worden en de niet controleerbaarheid van de
stromen van dit
materiaal.”42 De directeur van de Afdeling Organische Chemie van
Economische Zaken vindt verder dat maatregelen die
door Nederland of zelfs
de EEG alleen genomen worden, weinig zin hebben als
andere belangrijke
industrielanden niet meedoen. Daarbij wijst hij erop
dat Buitenlandse Zaken
veel verder gaat dan de Verenigde Staten
oorspronkelijk vroegen – een
beperking van slechts vijf stoffen.
Op 6 april schrijft ook de DG-BEB een nieuwe nota aan
minister Van Aardenne.
Weer schrijft hij over “twijfels die bestaan omtrent
de mogelijkheid van
zelfstandig optreden door Nederland alleen”. [Voor het
geval de regering
voorafgaand aan een EEG-overleg toch een zelfstandige
maatregel wil nemen,
voegt hij een ontwerp-Algemene Maatregel van Bestuur
(AMVB) bij, waarbij
de stoffen worden toegevoegd aan de bijlage van het
Uitvoerbesluit
Strategische Goederen. ]
12
Beide ministeries voeren doorlopend overleg, omdat de
opvattingen over wat
er op de lijst thuishoort uiteenlopen. Economische
Zaken wil de lijst beperken
tot “de producten die op zich zelf essentieel zijn
voor het fabricageproces van
gifgas en vrijwel uitsluitend daartoe dienen.”43 Buitenlandse Zaken wil ook
andere stoffen toevoegen. Uiteindelijk bereikt men een
tijdelijk compromis
over vijftien stoffen: minder dan de 21 die
Buitenlandse Zaken wenste, maar
meer dan de vijf van Economische Zaken.
[...]
Economische zaken wil minder stoffen op
de lijst – rapport ambtelijke werkgroep BZ-EZ, bijlage bij
een nota van 6 april 1984.
Dit is achtergrond informatie
Terug link naar www.veiligebank.nl
Kamerdebat
Op 11 april 1984 zijn chemische wapens onderwerp van
een debat in de
Tweede Kamer.44 Diverse fracties spreken hun zorg uit over het gebruik van
chemische wapens door Irak en over Nederlandse
leveranties die dat gebruik
mogelijk maken. Jules de Waart (PvdA) zegt: “De
laatste weken zijn de
berichten over chemische oorlogsvoering steeds
angstwekkender geworden.
Zo werden door de Verenigde Staten en het Rode Kruis
bewijzen aangedragen
13
voor het gebruik van chemische wapens in de oorlog
tussen Iran en Irak.
Bijzonder alarmerend was natuurlijk ook […] de grote
bestellingen van
chemische grondstoffen die gebruikt kunnen worden voor
chemische
oorlogsvoering. De minister zei dat het niet
uitgesloten was, dat Nederlandse
industrieën daarbij betrokken waren. [...] Het is
[...] duidelijk, dat deze
ontwikkelingen zo snel mogelijk moeten worden gestopt.
[...] Een verbod op
export en wellicht zelfs op productie is natuurlijk
het beste en noodzakelijk. De
tijd dringt echter en de kans moet worden benut dat
het bedrijfsleven ook
zonder een van kracht zijnd verbod de export van deze
stoffen zal stopzetten of
beperken.” Ria Beckers van de PPR voegt hieraan toe:
“Ik heb begrepen dat de
regering bereid is, binnenkort een lijst van chemische
stoffen te publiceren
waarvoor voortaan een exportvergunning nodig is. Ik
vraag mij af of die
vergunning voldoende is. […] Ik vind dat wij, als wij
ons druk maken over een
verdrag inzake chemische wapens, al het mogelijke
moeten doen om elke
medewerking aan het feitelijke gebruik van die wapens
te voorkomen.”
Ook de VVD toont zich, hoewel iets terughoudender,
voorstander van
een vergunningplicht. Woordvoerder Joris Voorhoeve,
dient samen met De
Waart en Ton de Kok van het CDA een motie in waarin
het gebruik van
chemische wapens door Irak wordt veroordeeld. De Kok
benadrukt in zijn
bijdrage afstemming in de EG: “Tot slot nog een woord
van waardering voor
het voorstel van de regering om in EG-verband de
export van grondstoffen
voor chemische wapens aan een vergunningenstelsel te
binden. Wij hopen dat
het mogelijk zal blijken, met de EG-partners tot
overeenstemming te komen.”
Jan-Nico Scholten van de groep Scholten/Dijkman
(ex-CDA) vraagt of er
eventueel mogelijkheden zijn voor eigen Nederlands
beleid als een
uitvoerverbod of vergunningplicht in het kader van de
EG lang op zich laat
wachten.
Minister Van den Broek van Buitenlandse Zaken maakt
zich eveneens
zorgen: “Ik denk daarbij uiteraard aan het feit dat
onomstotelijk is vastgesteld
dat in ieder geval in de oorlog tussen Irak en Iran
chemische wapens zijn
gebruikt.” Hij bestrijdt echter dat het Nederlandse
bedrijfsleven willens en
wetens grondstoffen voor chemische wapens levert: “Als
wij ons zorgen
maken, dan is dat omdat er leveranties plaatsvinden
van chemische
grondstoffen die zich ook lenen voor toepassing in
chemische strijdgassen,
maar die allerlei alternatieve
aanwendingsmogelijkheden kennen en die dan
ook in het normale verkeer vrij verhandeld kunnen
worden zonder dat daarop
enige vorm van verbod of enige vorm van controle
bestaat. [...] Ons is het er
inderdaad om te doen een aantal gevoelige chemische
grondstoffen die zeer
geschikt lijken voor de productie van chemische
wapens, onder te brengen op
een lijst en aan een vergunning onderhevig te maken.”
Van den Broek is
voorstander van Nederlandse actie, maar hij benadrukt
dat dit in overleg met
14
de Europese partners is gebeurd: “Wij komen op geen
enkele wijze in strijd met
Benelux-bepalingen dan wel met de bepalingen van het
EG-verdrag, omdat wij
ons ervan hebben verzekerd dat er tussen de Tien
[lidstaten van de EG]
absolute overeenstemming bestaat over de wenselijkheid
om te komen tot deze
vorm van controle. [...] Wij hebben [...]
uitdrukkelijk gevraagd of, in het geval
een communautaire maatregel om welke reden dan ook
hier niet tot de
mogelijkheden zou behoren, er bij de partners enig
bezwaar bestond tegen
nationale maatregelen dan wel maatregelen van een
geringer aantal landen
tezamen, ook op nationale basis. Er is door niemand
bezwaar tegen gemaakt.”
Dit is achtergrond informatie
Terug link naar www.veiligebank.nl
Dit is achtergrond informatie
Terug link naar www.veiligebank.nl
Verzet van Economische Zaken
Terwijl voor Buitenlandse Zaken de noodzaak van een
zelfstandige
Nederlandse maatregel inmiddels wel vaststaat45, blijft Economische Zaken
zich verzetten. De DG-BEB wil wachten op de uitkomsten
van Europees
overleg over de beperking van de export van
grondstoffen voor chemische
wapens. Daarin wordt afgesproken dat lidstaten die
maatregelen willen
nemen, dit melden aan de EEG, waarna verdere
coördinatie tussen experts zal
plaatsvinden. Daaruit zou dan mogelijk een gezamenlijke
lijst van stoffen
komen, waaraan ook Nederland zich zou moeten houden.
Van den Broek wil daar niet op wachten en kondigt in
Brussel zelfstandig
Nederlands optreden aan. De DG-BEB is furieus: “Dit is
niet in
overeenstemming met het gevoerde ambtelijk overleg”,
schrijft hij aan
Bolkestein, want daarin is “uitdrukkelijk […] gewezen
op de noodzaak van
nadere consultatie tussen U en [in het vrijgegeven
document gewist, het gaat
hoogstwaarschijnlijk om Van den Broek]. De formele
beslissing ligt overigens
primair bij U (zoals bij BuZa bekend).”46
Op 13 april vindt opnieuw overleg plaats tussen de
Buitenlandse Zaken
en staatssecretaris Bolkestein. Een memorandum binnen
Buitenlandse Zaken
meldt ter voorbereiding: “Economische Zaken heeft er
bezwaar tegen de laatste
vier stoffen op de lijst te plaatsen gezien de ruime
civiele toepassing van deze
stoffen. [...] Gezien de betrokkenheid van Nederlandse
bedrijven bij de laatste
vier stoffen van deze lijst dient het, politiek
gezien, aanbeveling deze vier
stoffen onder de beschikking te laten vallen. Indien
dit op al te grote
economische bezwaren stuit, dan zou ik willen
aanbevelen om althans de
nummers 13 [dimethylamine] en 15 [kaliumfluoride]
onder de Nederlandse
beschikking te laten vallen, zodat wij zoveel mogelijk
op een lijn zitten met de
Britse maatregel.”47 De tegenstand van Economische Zaken heeft succes; de lijst
stoffen waarvoor een vergunningsplicht geldt wordt
beperkt tot elf48 en geldt
niet voor uitvoer naar andere EG lidstaten. Deze
spoedregeling is,
vooruitlopend op een Algemene Maatregel van Bestuur,
van kracht vanaf 19
april.
Dit is achtergrond informatie
Terug link naar www.veiligebank.nl
15
Europees overleg
Op 19 april vindt vervolgens Europees overleg plaats
over de exportcontrole op
chemische stoffen die geschikt zijn voor de
vervaardiging van chemische
strijdmiddelen. Lidstaten zijn voorstander van
maatregelen op communautair
niveau, maar slechts voor de vijf stoffen die de VS
oorspronkelijk instelde49.
Ieder land kan dit lijstje op eigen initiatief nog
aanvullen.50 Voor Nederland
kan
de uitgebreide lijst dus gehandhaafd blijven. Kan,
maar het moet niet, en daar
ziet Bolkestein een gaatje. Op 17 juli 1984 schrijft
hij aan Van den Broek: “[Het]
lijkt […] mij gewenst om onze nationale
uitvoercontroles voor elf producten [...]
terug te brengen tot eerdergenoemde vijf stoffen. […]
Een eenzijdige
handhaving van onze uitvoercontroles voor elf stoffen
ondergraaft de
argumentatie van de Regering tegen eenzijdige
maatregelen inzake Zuid-
Afrika.”51
Van den Broek veegt op 10 augustus 1984 het voorstel
van Bolkestein van
tafel: “De door Nederland getroffen maatregelen zijn
na rijp beraad genomen.
[…] Op het eerste gezicht zijn geen politieke of
andere veranderingen
opgetreden, die aanleiding geven om thans reeds af te
wijken van het eerst in
april jl. genomen besluit”. Hij voegt daaraan toe dat
“zoals verwacht kon
worden, aanwijzingen zijn verkregen dat Irak
sleutelvoorlopers voor
chemische wapens probeert te bestellen die niet op de
lijst van vijf voorkomen,
maar wel op de Nederlandse lijst van elf. […] De enige
bedrijven die in de
praktijk hinder zouden kunnen ondervinden van de
aanvullende maatregelen
zijn handelsfirma's die één van de stoffen aan Irak
willen leveren.”52
Buitenlandse Zaken wijkt dit keer geen millimeter en
op 15 november 1984
wordt het Besluit, “houdende regelen ten aanzien van
de uitvoer van bepaalde
strategische goederen” afgekondigd, de ongewijzigde
spoedregeling. Het
treedt in werking op 5 februari 1985.
Economische Zaken blijft ongelukkig met de uitgebreide
lijst en probeert
deze ook in latere jaren nog tevergeefs te beperken.
16
Brief van staatssecretaris Bolkestein
aan minister Van den Broek – 17 juli 1984
Dit is achtergrond informatie
Terug link naar www.veiligebank.nl
17
Vergunningsplichtige stoffen
1. Fosfortrichloride (PCl3)
2. Fosforoxychloride (POCl3)
3. Chemicaliën die de P-methyl en/of P-ethyl band
bevatten
4. Methyl- en/of ethylesters van fosforig zuur
5. 3,3-dimethylbutanol-2 (pinacolyl alcohol)
6. N,N-gedisubstitueerd-B-amino ethanolen
7. N,N-gedisubstitueerd-B-amino ethaanthiolen
8. N,N-gedisubstitueerd-B-amino ethylhaliden
9. Fenyl, alkyl, of cycloalkyl gesubstitueerde
glycolzuren
10. 3- of 4-hydroxypiperdine en hun afgeleiden
11. Thiodiglycol (TDG)
Tabel 2: De
lijst van vergunningsplichtige stoffen volgens de Tiende wijziging van het
Uitvoerbesluit
strategische
goederen 1963
Nederland is op de hoogte
Hoewel uit de archieven van Buitenlandse Zaken blijkt
dat het al in 1981
berichten over zenuwgasgebruik door Irak ontvangt53, schrijven minister van
Buitenlandse Zaken Ben Bot en staatssecretaris van
Economische Zaken Karien
van Gennip in antwoord op Kamervragen op 21 juni 2006
dat het eerste bericht
over dit onderwerp, afkomstig van de Nederlandse
ambassade in Bagdad,
dateert van 9 november 1983.54
18
Het bericht van 9 november 1983 is een antwoord op een
verzoek van
Buitenlandse Zaken om informatie van 9 september dat
jaar over berichten dat
Irak mogelijk chemische wapens gebruikt tegen Iran.
Minister Van den Broek
schrijft hierin aan de Nederlands ambassades in Irak
en Iran: “Hoewel de
Iraanse aantijgingen mogelijk niet meer dan
oorlogspropaganda zijn, zou ik het
toch op prijs stellen indien u, wanneer u over nadere
informatie zou
beschikken, mij hiervan in kennis zou stellen.”55 Op 9 november schrijft David
Schorer, de Nederlandse ambassadeur in Irak: “Afgaande
op de Iraakse pers is
Irak vastbesloten Iran thans met alle beschikbare middelen
en tegen welke
doelen dan ook [...] aan te vallen. [...]Men zou er
ook uit kunnen distilleren dat
Irak zich niet meer zal ontzien wapens in te zetten
die in een normale oorlog
niet worden gebruikt. Mijn Zwitserse collega wist in
dit verband te melden dat
een tamelijk betrouwbare bron over aanwijzingen meende
te beschikken dat
het Iraakse leger in de buurt van Haj Umran inderdaad,
doch op kleine schaal,
gas had gebruikt. [...] Het gas zou afkomstig zijn
geweest uit Zuid-Korea, maar
thans zou men zelf over de installaties beschikken om
het te maken.”56 Op 21
november bevestigt de Nederlandse ambassade in Teheran
het gebruik van
chemische wapens door Irak.57
De formele internationale vaststelling door de
Verenigde Naties van het
gebruik van chemische wapens door Irak vindt pas
plaats op 26 maart 1984,
aldus de regering in 2006.
In een uitzending van het radioprogramma Argos, in
april 2006, vertelt Schorer
echter dat hij al in 1982 melding van het gebruik van
chemische wapens had
gemaakt: “In 1982 rapporteerde ik dat er gifgassen
werden gebruikt in de
oorlog. Men nam daar nota van. Om nou te zeggen dat
dat met grote letters in
de pers kwam, nee, daar sliep men niet minder goed
van.”58 Ook kan gewezen
worden op het feit dat al in 1983 slachtoffers van
gifgasgebruik in de oorlog
tussen Irak en Iran in Europa worden behandeld.59
Colijn en Rusman schrijven in hun proefschrift over
het Nederlandse
wapenexportbeleid tussen 1963 en 1988: “Hoewel in dit
geval westerse
inlichtingendiensten al enige jaren gegevens hadden
verzameld over de Iraakse
opbouw van productiefaciliteiten, had dat tot dan toe
niet geleid tot verscherpt
toezicht op de handel in sleutelvoorlopers”.60 Ook Arend Meerburg, voormalig
wapenexpert van het ministerie van Buitenlandse Zaken
zegt in een uitzending
van het TV-programma Nova over de eerste berichten
over het gebruik van
chemische wapens door Irak: “Het was de politieke
sfeer in die tijd, toen met
name de Verenigde Staten zeer pro-Irak was en
anti-Iran, dat daar eigenlijk
niks mee werd gedaan met die informatie, of heel
weinig. […] Wij waren
verontwaardigd als ontwapenaars, maar onze regeringen,
[…] liepen achter de
Amerikanen aan en deden ook niets”.61
19
De hele gang van zaken rond het ontstaan van de
vergunningsplicht levert
geen fraai beeld op van de houding van Nederland.
Sinds het begin van de
jaren tachtig is bekend dat Irak chemische wapens
bezit en er niet voor
terugschrikt om ze in te zetten. Op Nederlands
initiatief neemt de
Veiligheidsraad in 1984 een resolutie aan die het
gebruik van chemische
wapens veroordeelt, maar dat heeft geen binnenlandse
gevolgen; de handel
gaat gewoon door. Nederland komt pas in actie, nadat
het door de Amerikanen
op grote Nederlandse orders aan Irak wordt gewezen.
Het ministerie van
Economische Zaken doet er vervolgens alles aan om de
lijst van stoffen
waarvoor een vergunningsplicht gaat gelden zo beperkt
mogelijk te houden, en
het is daar redelijk succesvol in. Het blijft daardoor
nog altijd mogelijk stoffen,
die niet op de lijst staan, maar die wel geschikt zijn
voor het produceren van
chemische wapens, naar Irak te verschepen. Economische
Zaken geeft de
doorslag in beslissingen en niet Buitenlandse Zaken.
Het is een zorgwekkend
beeld van de machtsverhoudingen tussen beide
ministeries en het is een van de
meest cynische voorbeelden van de dubbele moraal die
de Nederlandse
regering die jaren heeft uitgedragen.
Dit is achtergrond informatie
Terug link naar www.veiligebank.nl
20
Nederland sluit handelsovereenkomst
In oktober 1983 bezoekt Frits Bolkestein de Bagdad
International Fair. Hij heeft
ontmoetingen met de Iraakse vice-premier Ramadhan en
met enkele andere
ministers. Hoewel de regering zich al bewust is van
het gifgasgebruik door
Irak, tekent hij tijdens dit bezoek een overeenkomst
tussen Nederland en Irak
met als doel mogelijkheden voor economische en
technische samenwerking te
vergroten.62
Hij vraagt tijdens het bezoek “om pleitbezorging voor
concrete Nederlandse
belangen te vatten in een setting van sympathie voor
het door drie jaar oorlog
beproefde Iraakse volk. Van Iraakse zijde werd hierop
positief gereageerd.
Vermeld werd dat Irak nu zijn vrienden telde en dat
hieruit na beëindiging van
de oorlog voor de aldus geïdentificeerde landen
consequenties zouden
voortvloeien”.63 In januari 1984 dringt ambassadeur Schrorer bij het ministerie
van Economische Zaken aan op wat meer enthousiasme.
Met name het
ministerie van Financiën en de Nederlandse Crediet
Maatschappij (het huidige
Atradius DSB) zouden hun volle medewerking moeten
verlenen aan “enige
maatregelen die, rekening houdend met de situatie van
Irak, onze export naar
en de samenwerking met dit land op het economisch en
politiek gewenste peil
kunnen houden.”64 Hij somt hiervoor een tiental redenen op waaronder het
economisch potentieel van Irak, gunstige ervaringen
van Nederlandse
bedrijven en de politieke rol van Irak als schakel
tussen het NAVO-gebied en
de Perzische Golf. Verder noemt hij “de toegenomen
Amerikaanse
belangstelling voor betere betrekkingen met dit
regime, onlangs tot uiting
gekomen in het bezoek van de speciale
vertegenwoordiger voor het Midden-
Oosten, Donald Rumsfeld [...].” Tenslotte zou de
sterke band die gegroeid is
tussen Irak en het “gematigde Arabische blok, met name
Egypte”, reden zijn
waarom een “blijvende relatie met Irak goed past in
het geheel van de
Nederlands-Arabische betrekkingen.”
Hoewel het eerste bericht over Iraaks gebruik van
gifgassen volgens Buza en
EZ dateert uit november 1983, spelen ze een rol in de
herinneringen van
Bolkestein aan zijn bezoek in oktober dat jaar.
Herinneringen, die in
tegenstelling tot zijn opstelling begin jaren '80,
opeens heel negatief zijn. In het
programma NOS-Laat zegt hij in 1990: “Als
staatssecretaris heb ik hem
[Saddam] en zijn ministers ontmoet. Het was een
luguber gezelschap. Iedereen
weet ook hoe ze de Koerden bestreden met mosterdgas.”65 In mei 2006 noemt
hij het in een ingezonden stuk in de Volkskrant, een
“ongemakkelijk bezoek”
en een “lugubere bijeenkomst die ik niet licht zal
vergeten”.66 Tegelijkertijd
bagatelliseert hij dual-use chemicaliën, die gebruikt
kunnen worden voor
21
gifgassen, door hun civiele toepasbaarheid eenzijdig
te benadrukken, waardoor
er geen exportrestricties nodig zouden zijn. Frank
Slijper, onderzoeker bij de
Campagne tegen Wapenhandel, legt in een reactie de
ware reden voor het
ontbreken van exportrestricties bloot: “Economische
Zaken redeneerde dat
extra exportverplichtingen het belang van het
bedrijfsleven teveel zou
schaden.”67 Bolkestein had destijds geen enkele reserves om dit door hem nu
als 'luguber' betitelde gezelschap de hand te schudden
en er een overeenkomst
mee te sluiten. Kritiek op de overeenkomst werd door
hem weggewuifd, net als
hij eerder een uitgebreid vergunningsstelsel voor de
export van potentiële
gifgasgrondstoffen effectief saboteerde.
Dit is achtergrond informatie
Terug link naar www.veiligebank.nl
Curieuze samenwerkingsovereenkomst
Veel overeenkomsten die door de regering met andere
staten worden gesloten,
worden slechts ter stilzwijgende goedkeuring aan het
parlement voorgelegd, zo
ook in maart 1984 de “Overeenkomst inzake economische
en technische
samenwerking tussen het Koninkrijk der Nederlanden en
de Republiek Irak”.
Een toelichtende nota, van de staatssecretarissen
Bolkestein en Van Eekelen
(VVD, Buitenlandse Zaken), wijdt slechts een bijzin
aan de kosten van de
oorlog tussen Irak en Iran, maar over het gebruik van
chemische wapens door
Irak, of de slechte mensenrechtensituatie in het land
geen woord. De beide
staatssecretarissen zeggen: “Wij achten nauwe
samenwerking met Irak van
belang niet alleen ter ondersteuning van
exportbelangen van het Koninkrijk,
doch tevens omdat een goede relatie met landen die
zijn aangesloten bij de
OPEC, waarvan Irak een vooraanstaand lid is, in het
belang lijkt te zijn van
evenwichtige internationale verhoudingen, zowel op
politiek als op
economisch gebied”.68
Max van der Stoel, verantwoordelijk voor het
Nederlands initiatief tot
veroordeling van Iraakse gifgasaanvallen door de
Veiligheidsraad, noemt het
achteraf “wat curieus” dat tegelijkertijd met dit
initiatief de
samenwerkingsovereenkomst met Irak aan het parlement
gepresenteerd wordt.
Het verwondert hem echter niet, want “Buitenlandse
Zaken is doorgaans
strenger in zijn toetsing van betrekkingen en meer
bezig met zaken als
onderdrukking en spanningsgebieden, terwijl
Economische Zaken meer kijkt
hoe bedrijven via export op de been kunnen blijven.”69
Op initiatief van PPR-fractievoorzitter Ria Beckers
verzoeken 39 Tweede-
Kamerleden, van CPN, D'66, EVP, PPR, PSP en PvdA, de
overeenkomst aan
uitdrukkelijke goedkeuring te onderwerpen, zodat er
een Kamerdebat over
gevoerd kan worden.70 Het CDA sluit zich erbij aan.
22
Zoals Beckers later in de Kamer zegt: “Met
stilzwijgende goedkeuring [zou]
geheel voorbij worden gegaan aan de oorlog tussen Irak
en Iran, die toen al
ongeveer vier jaar gaande was [...].”71
De behandeling van de overeenkomst geeft een goed
beeld van de
houding van de Nederlandse regering ten aanzien van
economische contacten
met een land in oorlog, dat gebruik maakt van verboden
wapens.
Dit is achtergrond informatie
Terug link naar www.veiligebank.nl
Mensenrechtensituatie
De fracties van het CDA, de PvdA en de PPR stellen
vragen over het
wetsontwerp in de Vaste Kamercommissie voor
Buitenlandse Zaken.72 Ze
verbazen zich over het ontbreken van de oorlogs- en
mensenrechtensituatie in
de nota. De PvdA vraagt of er garanties zijn dat door
Nederland geleverde
technologie en producten op geen enkele wijze voor
chemische wapens
gebruikt zullen worden. Dit is een relevante vraag
omdat een aantal
fabricageprocessen in de petrochemische en
kunstmestindustrie, die in de
overeenkomst uitdrukkelijk genoemd worden, dicht
aanliggen tegen de
productieprocessen van chemische wapens.73
Bolkestein en Van Eekelen vinden de oorlog weinig
relevant. “[Strikte
neutraliteit] verhindert het Nederlandse bedrijfsleven
naar onze mening echter
niet met beide bij het conflict betrokken landen
normale economische
betrekkingen te onderhouden”.74 Maar dat betekent volgens beide niet dat
Nederland bij de oorlog betrokken zou kunnen raken. Ze
“[...] zouden […] erop
willen wijzen, dat indien men iedere mogelijke
bijdrage aan de economie van
een land zou beschouwen als […] een bijdrage aan het
militaire potentieel van
dat land, deze consequentie slechts door middel van
een vrijwel totaal embargo
zou kunnen worden ontgaan. Een politiek van volstrekte
neutraliteit brengt
daarentegen onzes inziens juist mede, dat zoveel
mogelijk normale
betrekkingen met alle betrokkenen worden onderhouden.
Een overeenkomst
als de onderhavige is daarmee alleszins te rijmen”.
Nederland neemt in de oorlog tussen Iran en Irak een
neutrale houding in.
Volgens Bolkestein en Van Eekelen kan dat blijkbaar
het beste worden
uitgedragen door net te doen alsof er niets aan de
hand is en dezelfde contacten
met de strijdende staten te onderhouden als met andere
landen, zonder veel
acht te slaan op de mogelijke gevolgen van leveranties
en kennisoverdracht.
Dat allemaal (mede) in het belang van het Nederlandse
bedrijfsleven: “Juist in
moeilijke tijden kan immers stimulering tot gebruik
van alle resterende
mogelijkheden een belangrijke rol spelen. Dit kan
bovendien een goede
grondslag vormen voor contacten in betere tijden.”
Toch tonen ze zich niet
geheel ongevoelig voor het gebruik van chemische
wapens door Irak: “Al het
nodige zal worden gedaan om mogelijk ongewenst gebruik
zoveel mogelijk te
23
voorkomen. [...] Garanties als door deze leden bedoeld
– hetgeen een vrijwel
totaal embargo zou vereisen – kunnen echter niet
worden gegeven.”75
Dit is achtergrond informatie
Terug link naar www.veiligebank.nl
Kamerdebat
Het duurt een jaar voordat het tot behandeling van de
overeenkomst komt,
maar op 16 april 1985 is het dan eindelijk zover.76 De linkse partijen stellen
kritische vragen over de mogelijke betrokkenheid van
Nederland bij de oorlog.
Ria Beckers (PPR) dient een motie in waarin ze vraagt
de overeenkomst op te
schorten tot de oorlog voorbij is. Ook PvdA-er Jules
de Waart vindt dat “dit
verdrag [...] niet los [kan] worden gezien van de
oorlog tussen Iran en Irak. [...]
In deze oorlog zijn door Irak chemische wapens
gebruikt.” Dit zal volgens hem
consequenties moeten hebben: “Als wij niet willen dat
de oorlogspotentie van
beiden, of van één van beide landen, door onze
leveranties wordt vergroot [...]
zullen ook wij die leveranties zeer kritisch moeten
bekijken.” Hij wil daarbij
niet vertrouwen op het Uitvoerbesluit strategische
goederen, omdat er ook
andere grondstoffen dan die op de lijst staan,
gebruikt kunnen worden voor de
oorlogsvoering. “Het aantal stoffen en producten dat
in het belang is voor een
oorlog is echter veel groter dan het aantal stoffen
dat Nederland op een lijst
heeft gezet en de echte strategische goederen samen”,
verklaart hij. Hij noemt
hierbij expliciet grondstoffen voor chemische wapens
als voorbeeld. De Waart
dient daarom een motie in om de uitvoer van goederen
en kennis die direct
voor oorlogsdoeleinden kunnen worden gebruikt,
onmogelijk te maken.
De SGP en het CDA staan beduidend minder kritisch ten
opzichte van de
overeenkomst. Fractievoorzitter Henk van Rossem van de
SGP wil weliswaar
ook geen materiaal dat voor oorlogsdoeleinden gebruikt
kan worden, leveren
aan Irak, maar: “[a]nderzijds moet onze instelling
altijd zijn dat wij een zwaar
door oorlog getroffen land zoveel mogelijk helpen bij
de wederopbouw en het
normale functioneren van het maatschappelijke bestel.”
Hij loopt daarmee ver
vooruit op de feiten; de oorlog is immers in volle
gang en zou pas drie en een
half jaar later eindigen. Hoewel ook het CDA om
publieke behandeling van de
overeenkomst vroeg, is CDA'er Hans Gualthérie van
Weezel verklaard
voorstander van de overeenkomst. Hij dringt er wel op
aan wapenleveranties
en bijvoorbeeld de kwestie van het gebruik van gifgas
op Europees niveau te
bespreken.
In zijn antwoord verdedigt staatssecretaris Bolkestein
nogmaals zijn
standpunt dat Nederland zich neutraal op moet stellen
in de oorlog tussen Irak
en Iran, en dit zou tot uiting moeten komen in het
onderhouden van zo
normaal mogelijke betrekkingen met beide landen.
Bovendien is er volgens
hem geen verband te zien tussen economische
samenwerking en de oorlogs- en
mensenrechtensituatie: “[...] Het niet sluiten van het
akkoord [...] draagt niet bij
24
tot verbetering van de toestand van de mensenrechten
in het ene of het andere
land.” Over leveringen van mogelijke grondstoffen voor
gifgas zegt Bolkestein
in reactie op De Waart: “Zoals bekend, heeft Nederland
thans elf voorlopers
van gifgassen die aldaar gebruikt zouden zijn,
opgenomen in de lijst van
strategische goederen. […] Het is buitengewoon
moeilijk om de lijn te trekken
tussen werkelijk essentiële goederen en goederen die
weliswaar nodig zijn,
maar niet noodzakelijk zijn voor de vervaardiging van
strategische goederen.”
Daarom zou het onmogelijk zijn om tot een verbod te
komen op de uitvoer van
goederen en kennis die voor oorlogsdoeleinden gebruikt
zouden kunnen
worden, zoals De Waart voorstelt.
Beckers is niet onder de indruk van Bolkesteins
argumentatie: “Ik vind het wel
erg hypocriet, je ogen dicht te doen voor wat wij
dagelijks aan oorlogsgeweld
zien en horen en niet op z'n minst de consequentie te
trekken om de
inwerkingstelling van die overeenkomst uit te stellen.
Daarin ligt het duidelijk
appèl: houd ermee op!.” En: “[...] ik kan mij
voorstellen dat de staatssecretaris
de stelling huldigt, dat als wij nu maar meewerken aan
ingrediënten voor
mosterdgas voor Irak en als wij maar munitieonderdelen
leveren aan Iran, de
zaak weer in evenwicht is. Dat kan toch niet de
bedoeling zijn?” Ook De Waart
heeft zich niet laten overtuigen: “Ik mis bij de
staatssecretaris het besef dat er
sprake is van een uitermate moeilijke situatie.
Gedurende de duur van onze
Tweede Wereldoorlog zijn die landen op een
verschrikkelijke wijze met elkaar
in oorlog. Ik heb het gevoel dat alleen wordt gezegd
dat wij daaraan niets
kunnen doen en dat wij daarin neutraal moeten zijn.”
Hij houdt daarom vast
aan zijn motie: “Naar mijn mening kan duidelijk worden
vastgesteld wanneer
een bepaalde stof, die ook in vredestijd kan worden
gebruikt, in een economie
als die van Iran of Irak juist voor oorlogsdoeleinden
wordt aangewend. Ik heb
ook gezegd dat het voor de hand ligt dat op basis van
de hoeveelheden van een
bepaalde stof […] kan worden beoordeeld voor welk doel
die stof wordt
aangewend. Tevens heb ik gezegd dat als er twijfel
bestaat over het gebruik
van een bepaalde stof besloten moet worden om die stof
niet te leveren.”
Van Rossum (SGP) is uiteindelijk alsnog kritisch over
de mogelijke uitvoering
van de overeenkomst: “De staatssecretaris zegt [dan]
dat dat een kwestie is
voor het vrije bedrijfsleven. Voor Nederland zal dat
opgaan, maar in Irak wordt
voor een groot deel aan overheidsinstanties geleverd.
Op die distributie hebben
wij verder geen invloed, zodat wij de kans lopen,
alleen het leger te voeden.
Daar heb ik toch wel bedenkingen tegen.”
De beantwoording van Bolkestein in tweede termijn is
in feite niet veel
meer dan een herhaling van zetten. Hij zegt ondermeer:
““De uitvoer van
wapens is verboden. Als de heer De Waart spreekt van
goederen die
25
onmiddellijk kunnen worden gebruikt voor de fabricage
van wapens, vraag ik
mij af wat 'onmiddellijk' betekent. Als er eenduidig
verband is tussen deze
goederen en de fabricage van wapens, lijkt het mij dat
zij voorkomen op de lijst
van verboden goederen. Voor zover zij niet op de lijst
voorkomen, moet ik
aannemen dat er geen onmiddellijk verband bestaat.”
Toch is hij bereid de
motie van De Waart over te nemen, wanneer die er een
restrictieve betekenis
aan hecht. Het moet dan alleen gaan om goederen die
uitsluitend bestemd zijn
voor oorlogshandelingen. Het wetsvoorstel wordt
uiteindelijk in stemming
gebracht en door een ruime meerderheid goedgekeurd,
waardoor de
overeenkomst in werking treedt.
Wanneer hij in 1990 terugkijkt op het afsluiten van de
overeenkomst ziet
Bolkestein zelfs een positieve relatie tussen
handelsrelaties en het verbeteren
van de mensenrechtensituatie: “Mijn stelling is altijd
geweest dat de
mensenrechtensituatie in een land niet wordt verbeterd
door het verbieden van
de handel. Integendeel. De economische ontwikkeling
stimuleert juist de
ontwikkeling van de mensenrechten.”77
De opstelling van Bolkestein is tekenend, en ligt in
de lijn van zijn eerdere
verzet tegen het invoeren van een uitgebreidere lijst
met stoffen die aan
vergunningplicht onderworpen worden. Wat hem betreft
moeten er zo min
mogelijk belemmeringen voor handel met Irak worden
opgeworpen.
Opgeworpen belemmeringen kunnen volgens hem geen rol
spelen in het
verbeteren van de oorlogs- en mensenrechtensituatie en
ze zouden bovendien
ingaan tegen een houding van strikte neutraliteit. De
vraag is of hij deze
mening werkelijk toegedaan is of dat het vooral om het
nastreven van
Nederlandse handelsbelangen ging. Het heeft er alle
schijn van dat die
handelsbelangen de doorslaggevende factor zijn geweest
voor zijn opstelling in
de beide kwesties.
Dit is achtergrond informatie
Terug link naar www.veiligebank.nl
Bezoek van de Iraakse staatssecretaris
van Handel
Midden maart 1988 bezoekt Kubais S. Abdul Fatah,
staatssecretaris van Handel
van Irak, Nederland, wrang genoeg tegelijkertijd met
de Iraakse
gifgasbombardementen op de Koerdische stad Halabja in
Noord-Irak, waarbij
5000 mensen omkwamen. Hoewel de Nederlandse regering
niet onmiddellijk
op de hoogte is van de aanval, is het veelvuldig
gebruik van chemische wapens
door Irak inmiddels algemeen bekend. De berichten
daarover, en vooral ook
over de inzet tegen de eigen burgerbevolking, worden
vanaf het voorjaar van
1987 steeds alarmerender. Op 23 april 1987 schrijft de
Nederlandse ambassade
in Teheran aan het ministerie van Buitenlandse Zaken
dat er gevaar bestaat
voor escalatie van het conflict tussen Irak en Iran
omdat Irak opnieuw
26
chemische wapens inzet, en waarschijnlijk op grotere
schaal dan in het
verleden.78
Een half jaar later meldt Buitenlandse Zaken in een
memo: “Het gebruik van
chemische wapens door Irak lijkt eerder toe dan af te
nemen. Met name het
gebruik van het wapen tegen de burgerbevolking is zeer
zorgwekkend.”79 En
ook vlak voor het bezoek van Kubais schrijft
Buitenlandse Zaken nog dat “Irak
[...] onverminderd verder [gaat] met het vergroten van
haar potentieel aan
chemische wapens.”80 Tijdens het bezoek is het echter geen punt van gesprek,
voor zover uit de vrijgegeven documenten valt op te
maken.
Op 16 maart ontvangt de nieuwe staatssecretaris Yvonne
van Rooy van
Economische Zaken, Kubais. In het recentelijk openbaar
gemaakte verslag
meldt Kubais in dat gesprek dat “Nederlandse bedrijven
[...] in het recente
verleden een belangrijk aandeel [hadden] gehad in de
opbouw van landbouw
en industrie in Irak. Het was zaak om te werken aan de
versterking van
sectoren anders dan de olie-industrie.”81 Hij spreekt niet tegen dovemansoren,
want Van Rooy stelt voor het Nederlandse bedrijfsleven
te betrekken bij de
uitvoering van de handelsovereenkomst. “Afsluiting van
een bilaterale
investeringsbeschermingsovereenkomst [zou] een
positieve invloed zou
hebben op het animo van Nederlandse bedrijven om
samenwerkingsverbanden in Irak te overwegen.”, zegt ze
tegen Kubais. Ook
Frans Engering, Directeur-generaal van de afdeling
Buitenlandse Economische
Betrekkingen van het Ministerie van Economische Zaken,
ziet een rol voor het
Nederlandse bedrijfsleven. Hij betoogt dat “Ook in
deze voor Irak moeilijke
tijden [...] het Nederlandse bedrijfsleven zich daar
staande [dient] te houden;
de Nederlandse overheid komt daarbij een aanmoedigende
rol toe.”
Op 17 maart brengt Kubais een bezoek aan het
ministerie van Buitenlandse
Zaken. Ook daar is de toon niet al te kritisch. De
souschef van de Directie
Noord Afrika en Midden-Oosten meent dat dit bezoek kan
dienen om
“duidelijk te maken dat Nederland belang hecht aan
goede betrekkingen met
Irak.” Hoewel het gesprek zich ten dele toespitst op
de oorlog met Iran, is het
bezoek van Kubais voornamelijk ingegeven door
economische motieven. “Het
door Irak gepropageerde motto luidt hier: de landen
die tonen vrienden van
Irak te zijn in moeilijke perioden zullen hiervan in
een later stadium de
vruchten kunnen plukken wanneer de oorlog eenmaal
voorbij is en de
economie van het olierijke Irak weer zal kunnen opbloeien.
Irak zal dan bij het
verlenen van opdrachten e.d. immers weten wie haar
ware vrienden zijn
geweest.”82
Dit is achtergrond informatie
Terug link naar www.veiligebank.nl
27
Het gesprek gaat niet te diep in op de oorlog tussen
Iran en Irak. Een
achtergrondpapier over de oorlog noemt enkele recente
ontwikkelingen, zoals
een Iraakse aanval op een olieraffinaderij bij Teheran
op 27 februari van dat
jaar, maar het gebruik van chemische wapens door Irak
is er echter niet in
terug te vinden. Wel wordt opgemerkt dat “[e]en
diplomatieke oplossing van
het conflict [...] niet direct in het vooruitzicht
[ligt].”83 Op geen enkele
wijze
wordt Irak gevraagd om inzet voor het beëindigen van
de oorlog, laat staan dat
er kritiek geleverd wordt op zijn aandeel erin en de
wapens die het inzet. De
kern van het gesprek gaat over het veiligstellen en
behartigen van Nederlandse
(economische) belangen, waaronder de vrije scheepvaart
in de Perzische Golf.
Een paar dagen na het bezoek van Kubais, geeft de
Nederlandse regering een
verklaring uit waarin afschuw wordt uitgesproken over
het gebruik van
chemische wapens door Irak, met name de inzet tegen
burgers.84 Het komt als
mosterd na de maaltijd.
De vrijgegeven WOB-stukken geven inzicht in de
schaamteloze strijd rond de
belangen van de Nederlandse industrie en controle op
het internationale
handelen ervan. Waar Nederland zich graag als gidsland
op het gebied van
mensenrechten positioneert, blijkt met name het
ministerie van Economische
Zaken een blinde vlek te hebben voor de veiligheids-
en
mensenrechtengevolgen van Nederlandse exporten. Een
politiek die in het licht
van de wapeninspecties, oorlogen en militaire
optredens tegen Irak van 1990
tot heden absurd en ontluisterend genoemd moet worden.
Ondanks de oorlog
wordt er alles aan gedaan zo goed mogelijke
economische betrekkingen met
het regime van Saddam Hoessein te onderhouden. Onder
het motto van strikte
neutraliteit wordt daarbij maar liever een oogje
dichtgeknepen voor de
gruwelijkheden die door de strijdende partijen in het
conflict worden begaan.
Nederlandse economische belangen prevaleren bij de
beleidsbepaling.
Dit is achtergrond informatie
Terug link naar www.veiligebank.nl
28
Leveranties van grondstoffen
en apparatuur aan Irak
Met name in de eerste jaren van de opbouw van het
chemische
wapenprogramma van Irak, kwamen vrijwel alle
grondstoffen en apparatuur
hiervoor uit het buitenland, en dan vooral uit het
Westen. Het geheime 'Full
Final and Complete Disclosure' (FFCD)-rapport is de
verantwoording die Irak
in 1992, met latere aanvullingen, aan UNSCOM heeft
afgelegd over zijn
chemische wapenprogramma.85 Het VN-rapport bevat een lijst van
bedrijven
(voor zover bekend) die aan Irak geleverd hebben.
Vooral (West-)Duitse bedrijven zijn ruim
vertegenwoordigd op deze lijst. Van
de ongeveer 150 bedrijven die genoemd worden als
leveranciers voor de
massavernietigingswapenprogramma's van Irak is meer
dan de helft Duits. In
de beginjaren van Irak's chemische wapenprogramma
heeft vooral het Duitse
bedrijf Karl Kolb veel geleverd. Het heeft geholpen
met de bouw van de eerste
onderzoeks- en productiefaciliteiten.86
Ook de Verenigde Staten is met 24 bedrijven goed
vertegenwoordigd.87
De Amerikaanse regering zou voorts ook een dubieuze
dubbelrol gespeeld
hebben. Terwijl de Verenigde Staten het eerste land is
dat exportbeperkingen
voor de uitvoer van chemicaliën naar Irak instelt, wil
het tegelijkertijd absoluut
voorkomen dat Irak de oorlog verliest. Daarom zou de
regering Reagan met
grote regelmaat exporten toegestaan hebben van
producten die voor de
massavernietigingswapenprogramma's van Irak gebruikt
konden worden.88
Daarnaast zou de CIA informatie aan Irak geleverd
hebben die gebruikt werd
voor mosterdgasaanvallen op Iraanse troepen.89 Het is daarom niet
verwonderlijk dat de Verenigde Staten er alles aan
heeft gedaan om te
voorkomen dat het FFCD-rapport openbaar zou worden.
Zelfs de nietpermanente
leden van de Veiligheidsraad kregen alleen een gecensureerde
versie van het bovengenoemde rapport. Via diverse
lekken komt informatie uit
het rapport uiteindelijk toch in de pers terecht.
Als het chemische wapengebruik van Irak vanaf 1984
algemeen bekend is,
stellen veel landen een vergunningplicht in voor grondstoffen
voor gifgassen,
of ze verbieden de export helemaal. Hierdoor is Irak
gedwongen zich vooral op
de zwarte markt te begeven. Vanaf die tijd is de
Nederlandse zakenman Frans
van Anraat Iraks belangrijkste leverancier van
chemicaliën.
29
Land Bedrijf
België NU Kraft Mercantile Corporation
(moederbedrijf in VS)
Phillips Petroleum (moederbedrijf in VS)
Sebatra
China China North Industries Corporation
(NORINCO)
China Wanbao Engineering Company
Duitsland Ferrostaal
Heberger Bau
Karl Kolb
Pilot Plant
Preussag AG
Reininghaus Chemical Company
Rhema Labortechnik
Schloemann-Siemag
SMS Hansclever
Thyssen Rheinstahl
Walter Engineering Trading
Frankrijk Protec SA
India Exomet
NEC Engineers
Private Ltd
Transpek
United Phosphorous
Nederland KBS Holland
Melchemie
Polen Chemadex
Spanje Treblam
Verenigd Koninkrijk Meed
International
Verenigde Staten Alcolac
International
Industrial Procurement Corp.
Lummus Crest
Pfaulder Corporation
Presray Corp.
Zuid-Afrika Armscor
Tabel 3 -
Bedrijven waarvan bekend is dat ze leverden aan het chemische wapenprogramma
van Irak90
(Cursief vermeld
wanneer het gaat om mogelijke leveranties of mogelijk gebruik van geleverde
stoffen)
Dit is achtergrond informatie
Terug link naar www.veiligebank.nl
Leveringen door Nederlandse bedrijven
Van twee Nederlandse bedrijven staat vast dat zij
chemicaliën aan Irak
leverden die hoogstwaarschijnlijk werden gebruikt voor
chemische wapens:
Melchemie uit Arnhem (tegenwoordig Melspring) en KBS
Holland uit
Terneuzen (inmiddels Bravenboer en Scheers).
Naast deze bedrijven wordt ook het Vlaardingse
metaalbedrijf Fontijne
Holland BV korte tijd verdacht van leveranties aan
Irak. In september 1991
neemt de Economische Controle Dienst (ECD) bij dit
bedrijf een aantal dossiers
in beslag. Fontijne zou in 1987 en 1989 op het punt
gestaan hebben via het
30
Duitse bedrijf H und H Metallform machines aan Irak te
leveren voor de
fabricage van drukvaten, waarmee vanuit vliegtuigen
gifgas kan worden
verspreid.91 Het zou echter bij het uitbrengen van offertes gebleven zijn, aldus
directeur A. Fontijne tegenover Vrij Nederland92. Wel zegt hij: “Ik geef toe dat
H und H in 1987, en ik meen ook in 1989 offerte aan
ons gevraagd heeft. Ik wist
dat het niet voor henzelf was. Wij deden eraan mee om
zuiver commerciële
redenen. Zo gebeurt dat in onze handel.”
Het onderzoeksproject Iraq Watch noemt tenslotte nog
een onbekend
Nederlands bedrijf dat in 1988 injectors voor
atropine, een tegengif voor
vergiftiging door zenuwgassen, zou hebben geleverd.93
Nederland werkt VN tegen
In 1992 beklaagt de speciale VN-commissie die toezicht
houdt op de
ontwapening van Irak (UNSCOM) zich over de gebrekkige
medewerking van
de Nederlandse regering. Met name de Binnenlandse
Veiligheidsdienst (BVD),
voorloper van de huidige Algemene Inlichtingen- en
Veiligheidsdienst AIVD,
zou niet bereid zijn hulp te bieden bij het
blootleggen van het internationale
netwerk van mantelorganisaties dat Irak gebruik heeft
voor de productie van
chemische wapens.94
In de beantwoording van Kamervragen van Leoni Sipkes
en Paul
Rosenmöller hierover schrijft minister Kooijmans van
Buitenlandse Zaken op
12 mei 1993 dat “[...] Nederland en UNSCOM enkele
malen gegevens [hebben]
uitgewisseld over leveranties van Nederlandse
bedrijven aan Iraakse
afnemers”.95 Maar met de leveranties zelf was volgens hem weinig aan de
hand: “UNSCOM heeft Nederland weliswaar laten weten
dat enkele goederen
afkomstig van Nederlandse bedrijven zijn aangetroffen
op de door haar
geïnspecteerde locaties in Irak, doch het onderzoek in
Nederland op basis van
de verstrekte informatie heeft tot op heden uitgewezen
dat het hierbij
uitsluitend gaat om goederen die op het moment van
levering niet waren
onderworpen aan een vergunningplicht”.
Dat chemicaliën niet onder de vergunningplicht vielen,
betekent echter
niets. Niet alleen bestonden voor 1984 amper
exportbeperkingen voor
gifgasgrondstoffen, ook daarna behoorden legio
chemicaliën die tegenwoordig
wèl vergunningsplichtig zijn tot de vrije handel. Nog
weer andere grondstoffen
vallen nog altijd niet onder de vergunningsplicht
vanwege overwegend civiele
toepasbaarheid. Zodoende hebben Nederlandse bedrijven
rustig leveringen
van chemische stoffen, die zowel civiel als militair
bruikbaar waren, aan Irak
door kunnen zetten. Hoewel bedrijven soms afgeraden
werd leveringen van
zulke stoffen aan Irak te doen, zijn er ook andere
voorbeelden te noemen. Op
12 juli 1984 schreef minister Van den Broek
bijvoorbeeld aan de ambassadeur in
31
Washington over een op handen zijnde leverantie van
methyleenchloride door
een Nederlands bedrijf96:”[…] een zeer algemeen toegepast oplosmiddel, dat
eventueel gebruikt kan worden bij de productie van
sarin. [Het is] niet door
Nederland geplaatst op de lijst van voorlopers waarvan
de export onder
controle gesteld is. [Daarom] zie ik thans geen goede
redenen om maatregelen
te treffen om de uitvoer van methyleenchloride naar
Irak te verhinderen.”97
Dit is achtergrond informatie
Terug link naar www.veiligebank.nl
Rattengif uit Arnhem
Melchemie is één van de twee Nederlandse bedrijven
waarbij vaststaat dat ze
grondstoffen voor gifgassen leverden aan Irak. Het
bedrijf begon als
kunstmestproducent, maar schakelde in de jaren
zeventig over op
waterzuiveringchemicaliën. Melchemie heeft zijn
betrokkenheid in deze altijd
ontkend. Alleen in 1984 zou één keer een product van
de lijst strategische
goederen zonder vergunning zijn geleverd:
fosforoxychloride, een soort
rattengif, maar tegelijk ‘sleutelvoorloper’ van
mosterdgas. De bewering van het
bedrijf dat het slechts ging om eenmalige vergissing
van een manager is niet
vol te houden. Melchemie verdraait aantoonbaar feiten
en schept een vals beeld
van de rol die het gespeeld heeft in relatie tot Irak
gedurende de jaren '80.
Diverse bronnen, die zich deels baseren op documenten
afkomstig uit
Irak en van de Verenigde Naties, spreken over
leveringen van vier
verschillende grondstoffen voor mosterdgas:
fosforoxychloride, chloorethyl,
dimethylamine en thiodiglycol. Ondanks waarschuwingen
van het ministerie
van Buitenlandse Zaken zouden deze leveringen enige
tijd zijn doorgegaan via
een chemisch zusterbedrijf in Italië.98 Daarnaast zijn ook andere chemicaliën
die
voor de productie van gifgas kunnen worden gebruikt
door Melchemie
verkocht aan Irak.
In oktober 1986 besteedt het tv-programma BBC Panorama99 aandacht aan de
illegale fosforoxychloride affaire. Volgens hun
reconstructie zou op 19 april
1984 de Iraakse State Establishment for Pesticides
Production SEPP vanuit
Bagdad Melchemie per telex gevraagd hebben om 25 ton
fosforoxychloride,
waarvoor precies vanaf die dag een exportvergunning
aangevraagd moet
worden. Melchemie polst diverse Europese collega’s,
maar die weigeren
allemaal wegens exportrestricties. Ondertussen
verhoogt SEPP de order naar
zestig ton en vraagt bovendien om de levering van nog
twee andere
grondstoffen voor chemische wapens. Op 2 juli
verontschuldigt Melchemie
zich voor het late antwoord in een bericht dat
ondertekend is door de
exportmanager, de heer Weijman. Reden voor de
vertraging is dat voor de
gevraagde stoffen een uitvoervergunning nodig is.100
Uiteindelijk blijkt het Italiaanse bedrijf Ausidet
bereid te leveren101,
ondanks het feit dat fosforoxychloride ook in Italië
een uitvoervergunning
32
nodig heeft. Ausidet claimt echter van niets te weten:
niet van de
uitvoervergunning en niet van gifgas. Half oktober
wordt in Milaan de deal
gesloten. Daarbij zou voorgesteld zijn, om problemen
wegens het ontbreken
van een exportvergunning te voorkomen, de betaling via
een Westduitse
bankrekening te laten verlopen.
De order zou in zes scheepsladingen van elk tien ton
naar Irak vervoerd
worden. De eerste lading verlaat op 20 december 1984
de haven van Venetië. In
het Turkse Mersin wordt de lading overgeslagen op
vrachtwagens en zo naar
Bagdad gereden. Zo komen de eerste twee ladingen op
respectievelijk 5 en 7
januari 1985 aan. Daarna stopt het vervoer plotseling.
Dit is achtergrond informatie
Terug link naar www.veiligebank.nl
Inval en veroordeling
In 1985 krijgt de Economische Controle Dienst (ECD)
een tip van de
Amerikaanse inlichtingendienst CIA, waarop het in
februari van dat jaar een
inval doet bij Melchemie en de administratie in beslag
neemt102. Ook zouden
waarnemers aan het Iraaks-Iraanse front hebben
geconstateerd dat er nog
steeds grondstoffen voor chemische wapens vanuit
Nederland aan Irak
geleverd werden.103 Melchemie houdt tegenover de pers vol dat het gaat om
“een op zich onverdachte stof (een gewasbeschermingsmiddel)”.104 De
containers fosforoxychloride worden verzegeld en al
teruggehaald.
Nadat Melchemie een schikkingsvoorstel van een miljoen
gulden (450.000
Euro) afslaat, volgt een rechtszaak. De zaak komt in
september 1986 voor de
economische politierechter in Arnhem. Dan blijkt dat
Melchemie vóór de
levering al drie keer gewaarschuwd was: door de
ministeries van Buitenlandse
Zaken en van Economische Zaken, en door het
West-Duitse chemieconcern
Bayer. Melchemie beroept zich in zijn verweer op een
brief van de SEPP, die
het in maart, dus na de inval, ontvangt. Daarin staat
onder meer het volgende:
“As far as the products bought from you
are concerned: these products will
be used for various industries and most
of them are even still stored with
the plants. [...] As far as POCL3
[fosforoxychloride] consignments are
concerned: these two containers are
still in the port and may be returned, if
such would satisfy you, and you
compensate us with other products.”105
Het spreekt voor zich dat aan zo'n verklaring, afkomstig
uit een oorlogvoerend
land dat naarstig op zoek is naar grondstoffen voor
chemische wapens, geen
betekenis gehecht mag worden. De rechter is dan ook
niet onder de indruk en
veroordeelt Melchemie wegens het opzettelijk ontduiken
van het verbod op
uitvoer van een strategisch goed naar Irak tot een
boete van honderdduizend
gulden (45.000 euro) en een voorwaardelijke
stillegging voor de duur van een
33
jaar met een proeftijd van twee jaar.106 In het vonnis spreekt de rechter over
“de
onmenselijkheid die spreekt uit deze handel.”
Melchemie gaat in hoger beroep,
maar trekt dat vlak voor de behandeling ervan zonder
opgaaf van redenen
weer in.
De levering van fosforoxychloride staat niet op
zichzelf. Bovengenoemde brief
van de SEPP uit 1985 bevestigd dat het de afgelopen
jaren grote hoeveelheden
van diverse chemische stoffen, geschikt voor de
productie van chemische
wapens, van Melchemie gekocht heeft107. In de bijlage van deze brief, die SEPP
aan Melchemie stuurde en in afschrift aan ondermeer
het Ministerie van
Buitenlandse Zaken, staat het volgende rijtje van
geleverde stoffen genoemd:
1000 ton thionylchloride, 20 ton
potassiumhydrogenfluoride, 60 ton
fosforoxychloride, 5 ton waterstoffluoride, 100 ton
fosfor, 150 ton
isopropylalcohol, 15 ton pyridine en 30 ton
o-chlorobenzaldehyde.
Bijlage van de brief van SEPP aan
Melchemie, met een overzicht van geleverde stoffen
34
De in de brief genoemde transacties vonden plaats vóór
het onder
vergunningplicht stellen van de bewuste stoffen,
waardoor er geen sprake is
van illegale leveringen, met uitzondering dan van de
fosforoxychloride. Dat die
leveringen niet illegaal waren, neemt niet weg dat de
stoffen wel geleverd zijn
aan de SEPP, de inkooporganisatie van Irak’s chemische
wapenprogramma.
Iets wat Melchemie destijds had kunnen weten.
Het bedrijf blijft echter tot op de dag van vandaag
fouten ontkennen. In een
advertentie in Trouw in juli 2004, in reactie op een
eerder verschenen artikel,
benadrukt Melchemie uitdrukkelijk dat het bedrijf
“nooit gifgasgrondstoffen
geleverd [heeft]” en dat het “op geen enkele wijze
betrokken [is] bij Irakees
gifgas.”108. In april 2006 verdedigt het bedrijf zich opnieuw: “Het besluit van
Melchemie om van iedere levering af te zien zou vooral
de voedselproductie
van Irak raken, terwijl er geen aanleiding was (en ook
nu nog niet is) voor de
veronderstelling dat de door haar geleverde producten
voor de productie van
gifgassen werden aangewend", aldus directeur Hans
Melchers.109
Klaarblijkelijk komt Melchemie zelf ook tot de
conclusie dat deze stelling niet
houdbaar is, want enkele maanden later schrijft
advocaat Herman Doeleman,
die als woordvoerder van het ebdrijf optreedt: “U kunt
ervan verzekerd zijn
dat Melchemie Holland en de heer Melchers het
buitengewoon betreuren dat
gewasbeschermingsproducten miscbruikt zijn voor de
chemische
oorlogsvoering. Dat zulks gebeurd is lijkt
aannemelijk, al is niet bekend in
welke mate dat is gebeurd.”110
Dit is achtergrond informatie
Terug link naar www.veiligebank.nl
Leveringen gaan door
Ook na de veroordeling gaat Melchemie door met het
leveren van chemicaliën
aan Irak. Het gaat hierbij om stoffen die niet onder
de vergunningsplicht
vallen, maar wel gebruikt kunnen worden voor de
productie van gifgas. Door
de grote weerstand van Economische Zaken is de lijst
met stoffen waarvoor een
vergunning nodig is in de jaren ’80 nog erg beperkt
(zie het eerdere hoofdstuk
‘Nederland en de chemische wapens van Irak’). Wat
Melchemie precies aan
Irak geleverd heeft, en of dat illegaal was of niet,
is moeilijk te achterhalen.
Het geheime VN-rapport 'Full Final and Complete
Disclosure' (FFCD) noemt
aan de hand van een lijst van leveranties het bedrijf
expliciet als leverancier van
het Iraakse chemische programma. Het zou volgens een
op dit rapport
gebaseerd artikel van Arnold Karskens om de volgende
leveringen gaan, die op
pagina 23 van het rapport onder het kopje 'UN
important materials' vermeld
worden:
➢ tussen 1982 en 1984:
35
➢ 1850 ton thionylchloride (SOCL2) - te gebruiken bij de bereiding van
mosterdgas, en
➢ 5 ton waterstoffluoride (HF) – een grondstof voor het zenuwblokkerende
sarin-gas;
➢ in maart 1986: 600 ton stoffen, waaronder chloramin T, ontsmettingsspul,
en
dichloormethaan (CH2CL2) - een simulant van sarin, ook
methyleenchloride genoemd;
➢ in 1989:
caustische soda – kan verwerkt worden in filters van gasmaskers en
gebruikt worden als middel om radioactief, biologisch
of chemisch besmette
oppervlakten te desinfecteren111; en
➢ in 1989: 400 ton
sodiumcyanide (NaCN) - basisstof voor blauwzuurgas, ook
natriumcyanide genoemd.112
De laatste twee komen overigens op de overheidslijst
voor.
Melchemie ontkent het gros van de leveringen aan Irak
niet, maar vertekent de
werkelijkheid wel: “De […] leveringen waren volledig
in overeenstemming
met alle geldende voorschriften en betroffen geen van
alle stoffen die kunnen
worden gebruikt als component van gifgas”. Bij
dezelfde gelegenheid vertelt
het bedrijf dat het zich “bij iedere twijfel omtrent
mogelijk kwalijke
toepassingen […] van levering [heeft] onthouden (ook,
als het stoffen betrof die
zonder exportvergunning geëxporteerd konden worden)”. 113 Gezien het
bovenstaande, lijkt dat op zijn minst erg
onwaarschijnlijk.
Weliswaar komen de geleverde stoffen niet voor op de
lijst van voor
uitvoer vergunningplichtige stoffen maar een heel
ander verhaal is het dat ze
daarmee niet voor de productie van chemische wapens
gebruikt kunnen
worden. Dat die lijst vergunningplichtige chemicaliën
onvolledig was kwam
voor een belangrijk deel door de grote weerstand van
Economische Zaken
tegen een uitgebreide vergunningsplicht.
Bijzonder wrang is het daarom dat natriumcyanide wel
op de
oorspronkelijke lijst van het Ministerie van
Buitenlandse Zaken stond, maar
onder druk van Economische Zaken niet op de uiteindelijke
lijst terecht is
gekomen.114
Dit is achtergrond informatie
Terug link naar www.veiligebank.nl
From Holland to Baghdad
De leveringen van Melchemie zijn de afgelopen jar